Een nieuw boek neemt het op voor een vertrouwd en flexibel woningtype dat het in onze steden steeds moeilijker krijgt.

Een typisch Belgisch woningmodel
Tussen appartementen en vrijstaande villaâs bestaat een woningtype dat een groot deel van ons straatbeeld heeft gevormd: de rijwoning! In een essay dat BRUZZ op 30 oktober publiceerde naar aanleiding van haar boek âOde aan de rijwoningâ verdedigt architecte Julie Mabilde dit historische woningtype. Als projectverantwoordelijke bij de Vlaamse Bouwmeester maakt ze zich zorgen over het slinkende aandeel van rijwoningen tegenover andere woonvormen. Haar betoog moet je uiteraard eerder lezen als een architecturaal pleidooi, eerder dan statistisch bewijs dat alle rijwoningen tegen de vlakte gaan!
Een smal perceel, veel mogelijkheden
De traditionele stadswoning staat vaak op een smal perceel, met meerdere bouwlagen, een trappenhuis en kamers achter elkaar. Die indeling brengt inderdaad beperkingen met zich mee: veel trappen, soms weinig licht in het midden van de woning, een bescheiden tuin⊠Maar ze biedt ook opvallend veel mogelijkheden om de woning aan te passen! Een slaapkamer wordt een bureau, een verdieping kan plaats bieden aan een andere generatie en de zolder maakt soms extra woonruimte mogelijk. Bovendien helpen de gemeenschappelijke muren om warmteverlies te beperken!
Waarom de druk toeneemt
In steden waar bouwgrond duur is, kan het economisch aantrekkelijk lijken om één huis te vervangen door meerdere appartementen. Ook de vraag naar kleine woningen en de dalende gemiddelde gezinsgrootte spelen mee. Toch heeft een gezinswoning met rechtstreekse toegang tot een tuintje troeven die in sommige appartementsgebouwen moeilijk te evenaren zijn! Volgens de auteur hoeven we huizen en appartementen uiteraard niet systematisch tegenover elkaar te plaatsen. Maar met de huidige druk op de woningmarkt in sommige steden kan je je wellicht ook moeilijk een sprookjeswereld voorstellen waarin iedereen ruim de keuze heeft⊠We zijn het er wel helemaal mee eens dat de ene woonvorm de andere niet telkens hoeft te verdringen.