Taxidermie is een vertrouwelijke kunst die erin bestaat dode dieren er weer levend te laten uitzien. Sinds een tiental jaar is de kunst op zich bezig aan een comeback en wordt nu ook steeds meer opgepikt in decoratie.
De technieken zijn de afgelopen jaren dan wel geëvolueerd, het principe blijft onveranderd: er wordt een stevige structuur gebouwd waarop de gelooide huid van een dier wordt vastgemaakt om hem zijn oorspronkelijke vorm terug te geven. Eventueel wordt hij in een originele pose gezet. De reconstructie gebeurde oorspronkelijk met stro en gips. Het nadeel daarvan is dat de dierenhuid de neiging heeft om na verloop van tijd uit te drogen, waardoor het heel fragiel wordt. Polyurethaanmousse heeft de levensduur van een creatie al sterk verbeterd, en ook het looien zelf werd geoptimaliseerd dankzij nieuwe chemische componenten.
Zo oud als de wereld
De mens is al sinds de prehistorie bezig met de basistechnieken van het leerlooien. Nadien werden er andere middelen ontwikkeld om een lichaam te bewaren, zoals de balseming bij de Egyptenaren. Vanaf de 16de eeuw konden door middel van nieuwe technieken de dierenlichamen komende van over de hele wereld langer bewaard blijven, zodat ze de rariteitenkabinetten, die in die tijd erg in de mode waren, konden verrijken. Een voorbeeld daarvan is het Ashmolean Museum in Oxford (het eerste universitaire museum ter wereld dat in 1683 opgericht werd), dat tot in 1755 de laatste opgezette dodo bezat.
Vanaf 1750 werd taxidermie, onder invloed van het werk van de Franse ornitoloog Jean-Baptiste Bécoeur, een serieuze bezigheid. In 1793 werd Louis Dufresne taxidermist in het nationaal natuurhistorisch museum van Parijs. Hij legt de focus op de techniek van Bécoeur en maakt ze bekend in een artikel in Nouveau dictionnaire d’histoire naturelle. Zijn uitgebreide persoonlijke collectie, bestaande uit vogels en kleine zoogdieren, wordt vandaag bewaard in het koninklijk museum van Schotland in Edinburgh. Gedurend ongeveer 50 jaar bleven de pogingen beperkt tot het verkennen van bewaartechnieken met de materialen en chemische elementen die in die tijd beschikbaar waren.
Pas in de 19de eeuw kende taxidermie een hoogtepunt met de publicatie van verschillende handleidingen, zoals Practical Taxidermy van Montagu Browne en Practical Taxidermy and Home Decoration Together with General Information for the Sportsman van Joseph H. Batty, en de aanleg van grote collecties door onder andere de naturalist Pierre Antoine Delalande en zijn neef Jules Verraux, en de verschijnen van grote ateliers in Parijs en Londen. Ook al zijn de huidige technieken bijna identiek aan die van vroeger, synthetische mousse bleek revolutionair voor het vak doordat het de interne structuren versterkt en verlicht.
De grootste taxidermist is… een Belg!
Jean-Pierre Gérard-Simon is zo ongeveer geboren in stro. Hij is de vijfde generatie van het huis Gérard, gesticht in 1870 in de Luikse buitenwijk. Hij zit al sinds zijn 14de in het vak en kent de laatste jaren een ongelooflijk succes. De bestellingen stromen binnen en de wachttijden lopen op tot meer dan 3 jaar! Hij staat aan het hoofd van een klein team ambachtslieden en werkt ook samen met een handjevol deskundig geselecteerde zelfstandigen en werkt voor verschillende natuurhistorische musea, waaronder het prestigieuze Seodaemun Museum of Natural History in Seoul. Hij kan enkele grote namen tot zijn klantenbestand rekenen, zoals een emir uit Qatar, Valéry Giscard d’Estaing en artiesten, zoals Wim Delvoye en Daniel Firman.